
De Balkan voelde rauw vanaf het begin. Wegen waren slecht, borden ontbraken soms en plannen veranderden dagelijks. In het begin vond ik dat lastig. Ik moest opnieuw leren loslaten. Maar na een paar dagen merkte ik dat juist dát de kracht is van deze regio: je kunt hier niet doen alsof je alles onder controle hebt. Ik reed langs kusten waar bergen direct in zee lijken te verdwijnen. Ik stond op plekken waar niemand anders was, simpelweg omdat er geen regels waren die het verboden. Soms voelde dat oncomfortabel—meer door de stilte dan door het idee van gevaar. Mensen waren nieuwsgierig, behulpzaam en eerlijk. Een knik, een glimlach, een korte vraag waar je vandaan komt; dat was vaak al genoeg. In Albanië raakte ik aan de praat met Arben. Hij waarschuwde me voor een slechte weg verderop, maar zei ook: ‘If you go slow, you’ll be fine.’ Dat werd mijn mantra. Langzaam rijden, vaak stoppen, kijken waar je uitkomt. En vooral: niet boos worden als iets anders loopt dan gepland. Deze reis voelde als reizen zonder vangnet. En misschien was dat precies waarom het zo puur voelde. Hier is vrijheid geen concept, maar iets wat je elke dag opnieuw moet vertrouwen—met beide handen aan het stuur en een open houding naar alles wat je tegenkomt.
