
Toscane had ik al honderd keer gezien in foto’s, maar pas onderweg begreep ik wat mensen bedoelen met ‘het licht’. Het is niet alleen mooi; het maakt alles zachter. Wegen slingeren door heuvels, cipressen staan alsof ze bewust zijn neergezet, en zelfs een simpele parkeerplek voelt soms als een scène uit een film. Ik reed zonder haast van dorp naar dorp. Niet om dingen af te vinken, maar om te landen. Op een agriturismo waar ik ‘één nacht’ dacht te blijven, werden het er drie. De eigenaar zette een karaf wijn op tafel alsof dat de standaard is, en vroeg alleen of ik vannacht mee-eet. Natuurlijk. Aan die lange tafel zat een Duits stel, Anna en Felix. We spraken over routes, werk, waarom je soms liever onderweg bent dan ‘thuis’. Felix zei: ‘You don’t pass through Tuscany. You stay.’ Ik lachte, maar voelde meteen dat hij gelijk had. De dagen werden traag op een goede manier. Ochtenden met espresso, middagen met een korte wandeling, avonden met eten dat veel beter smaakt als je nergens naartoe hoeft. Wat ik vooral onthoud is hoe Toscane je uitnodigt om je eigen tempo terug te vinden. Ik vertrok pas toen ik merkte dat ik niet langer bleef uit bewondering, maar uit gewoonte. En zelfs toen ik wegreed, bleef dat Toscaanse ritme nog een paar dagen in mijn systeem hangen.
