
Slovenië stond nauwelijks op mijn lijst. Het was een tussenstop, dacht ik. Dat idee verdween al na de eerste dag. Binnen een uur reed ik van bergen naar bossen en daarna naar een meer met water zo helder dat ik de stenen op de bodem kon tellen. Ik stond vaak net buiten kleine dorpen. ’s Ochtends hoorde ik koeienbellen, overdag wandelde ik door bossen en ’s avonds zat ik buiten met een boek. Mensen groetten vriendelijk, maakten soms een praatje, maar lieten je ook gewoon met rust. Die balans voelde zeldzaam. Op een kleine camperplaats raakte ik aan de praat met Luka. Hij gaf me tips voor plekken die niet in gidsen stonden. ‘Niet te veel nadenken,’ zei hij, ‘gewoon gaan.’ Dat werd mijn manier van reizen hier. Elke keer dat ik dacht door te rijden, bleef ik toch nog een dag omdat het simpelweg te prettig was om te haasten. Slovenië voelde licht: geen overweldigende drukte, geen ‘must sees’ die om aandacht schreeuwen. Gewoon natuur, ruimte en een prettig ritme. Ik vertrok uiteindelijk met tegenzin—en dat is meestal het beste teken.
