
Noorwegen voelde groots zonder indruk te willen maken. De bergen stonden er gewoon, de fjorden lagen stil alsof ze al eeuwen op je wachten. Ik reed uren zonder iemand te zien en merkte hoe die ‘leegte’ langzaam iets anders werd: ruimte. Ruimte in mijn hoofd, in mijn tempo, in mijn keuzes. Mijn ochtenden begonnen bijna altijd hetzelfde: koffie, raam open, koude lucht naar binnen. Soms liep ik naar het water en sprong ik erin, niet stoer bedoeld, maar als resetknop. Daarna reed ik verder tot een plek me terugfluitte. Noorwegen is daar goed in. Je denkt dat je door moet, en dan komt er weer een bocht met een uitzicht waar je vanzelf stil van wordt. Op een kleine parkeerplek bij een fjord ontmoette ik Lars. Hij stond naast zijn oude Volvo en maakte koffie op een brander. We spraken weinig. Hij knikte naar de bergen en zei alleen: ‘Good place.’ Dat was genoeg. We zaten een uur te kijken, zonder iets te hoeven vullen met woorden. Later die dag reed ik een ferry op, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, en kwam ik aan in een dal dat nog stiller voelde. Wat Noorwegen me gaf, was een ander soort rijkdom. Niet druk en vol, maar helder en simpel. Als ik ’s avonds de camper dichttrok en de regen zachtjes tikte, sliep ik diep. En ik merkte: stilte is hier geen leegte, maar een landschap waar je eindelijk in kunt wonen.
